Zoek op trefwoord :
`Progressief Nederland` is valkuil voor links
Verschenen in 'De Leunstoel' - 07-05-2026

De fusie van PvdA en GroenLinks is op een haar na beklonken. Er is nu ook een nieuwe naam: Progressief Nederland. Ik ben blij met geen van deze twee.

Mijn bezwaar tegen de fusie is dat het grootste probleem van de PvdA is dat de partij haar klassieke achterban verspeeld heeft door de roekeloze deelname aan het kabinet Rutte II, en dat fusie met GroenLinks wel het laatste is wat je kunt bedenken om daar iets tegen te doen. Maar dat lijkt niet het probleem te zijn waarvan ze in de PvdA wakker lagen. Men laat de klassieke achterban over aan de PVV, en draagt de sleutels over aan GroenLinks.

Tegen de naamgeving heb ik een heel ander bewaar. Progressief is een veel te weinig gedefinieerd begrip, en een keuze voor die naam kan een linkse partij in grote problemen brengen.

Het is niet nieuw dat een samenwerkingsverband van linkse partijen zich afficheert als progressief. In de jaren ’70 presenteerden PvdA, D66 en ppR zich als de progressieve drie. Daar zat dus maar een van de vier partijen bij die later zijn opgegaan in GroenLinks. Er werden in die tijd allerlei progressieve akkoorden gesloten. In sommige kleinere gemeenten zoals Oegstgeest en Zoeterwoude leven die nog voort in de gemeenteraad.

In de landelijke politiek zagen we die term inmiddels echter niet meer terug. Daar zijn verschillende verklaringen voor. Progressief was een soort eufemisme voor socialistisch: ppR en D66 wilden wel ongeveer hetzelfde als de PvdA, maar wilden absoluut niet dat daar het stempel socialistisch op werd gezet.

Maar de samenwerkingsbereidheid tussen de drie partijen nam ook af. Eerst ging D66 zich onderscheiden als het redelijk alternatief. Daarna radicaliseerde de ppR zich van een linkse afsplitsing van de KVP naar een partij links van de PvdA, met slechts een paar Kamerzetels. Die werd voor de PvdA eerder een blok aan het been dan een nuttige bondgenoot, daarmee verdween ook het samenwerkingsveerband van de twee partijen.

Maar de term `progressief’ werd ook omstreden. Aanvankelijk verwees die naar een notie van vooruitgang, die bij Marx gebaseerd was op wetenschappelijke pretenties, en later op zoiets als met je tijd meegaan. Maar vanaf de jaren tachtig werd dat laatste heel dubieus. De tijdgeest werd toen gedomineerd door het neoliberalisme, en daarmee werd wie pleitte voor behoud van de verzorgingsstaat ineens als conservatief beschouwd.

Termen als hervorming en modernisering, die eerst gebruikt werden door links, werden ineens gebruikt om rechts beleid te rechtvaardigen. PvdA-minister Jo Ritzen noemde zijn wet om studenten en medewerkers minder invloed op het universiteitsbestuur te geven de wet Modernisering Universitair Bestuur. Die wet kwam in de plaats van de Wet Universitaire Bestuurshervorming, die toen hij in 1970 werd vastgesteld de PvdA niet ver genoeg ging.

Sinds de jaren tachtig worden we ook geconfronteerd met een niet aflatende stroom voorstellen om de verzorgingsstaat aan te tasten, vaak aangeduid als voorstellen tot modernisering van de verzorgingsstaat, ook van de kant van sociaal-democraten. Maar de kiezer weet: als ze in Den Haag de verzorgingsstaat willen moderniseren, dan kun je beter de was binnen halen.

Het kabinet Jette agendeert een nieuwe ronde aantastingen van de verzorgingsstaat, op de AOW, de WIA en de WW, terwijl je dacht dat de bodem nu wel bereikt was. De reactie van links daarop moet zijn een strijd voor behoud van de verzorgingsstaat. Daarbij riskeert men door de tegenstanders voor conservatief te worden uitgemaakt. Maar daar moet links zich niets van aantrekken, er is niets mis met conservatisme wanneer er linkse verworvenheden in het geding zijn. 

Maar dat wordt natuurlijk lastiger als je jezelf met veel bombarie tot progressief verklaard hebt. Daarom is de naam Progressief Nederland een valkuil waar links Nederland niet in zou moeten trappen.