Zoek op trefwoord :
OZB aantrekkelijke belasting in globaliserende economie
Verschenen in 'Binnenlands Bestuur' - 27-10-2000

De globalisering slaat toe. Er zijn wereldburgers die nergens meer een vast verblijf hebben, en zwerven van het ene land naar het andere. Sommigen van hen zijn heel arm. Ze proberen vanuit Azië naar Engeland te komen, maar worden daarbij gesnapt wanneer ze de oversteek vanuit België proberen te maken. De Belgische politie arresteert ze, en geeft ze opdracht het land te verlaten, hoewel ze daar nu juist mee bezig waren. Als het niet zo gruwelijk was, zou je denken aan een Belgenmop.

Er zijn ook hele rijke wereldburgers. Die bezitten huizen in meerdere landen, en zijn overal bijzonder welkom. Als ze het een beetje handig inkleden, hoeven ze in geen van die landen inkomstenbelasting te betalen. Anders is het met de belasting op onroerend goed. Die kun je niet ontlopen door van het ene huis naar het andere te hoppen. Ben je eigenaar van huizen in verschillende landen, dan zul je overal de eigenaarslasten moeten voldoen. Misschien is in een globaliserende economie onroerend goed wel een betere basis voor belastingheffing dan inkomen.

Voor gemeenten is die conclusie al getrokken. Een gemeentelijke heffing op onroerend goed is gemakkelijker uit te voeren dan een gemeentelijke inkomstenbelasting. Een gemeentelijke BTW zou al helemaal grote problemen oproepen. Waar verdient Albert Heijn zijn geld: in Zaandam, of in het winkelcentrum bij u in de buurt?

Nu is dit niet het goede seizoen om de zegeningen van de OZB uit te meten, vanwege de nieuwe taxatiewaarden die volgend jaar gaan gelden. Ooit werd de OZB verdedigd met het argument dat de basis van deze belasting zo stabiel is, maar dat blijkt een grap. De waarde van woningen stijgt veel harder dan de inkomens, en ook veel grilliger.

Gemeentebesturen kunnen de gemiddelde waardeontwikkeling opvangen door het tarief aan te passen, maar blijven er dan mee zitten dat sommige woningen meer stijgen dan het gemiddelde. Bovendien maakt de verevening via de uitkering uit het gemeentefonds, dat een gemeente waar de waardestijging hoger is dan het landelijk gemiddelde, voor een hogere OZB opbrengst zal moeten zorgen.

Gemeentebesturen zien een golf van bezwaarschriften op zich af komen, waarbij veel inwoners het beginsel 'niet geschoten is altijd mis' hanteren. Daar mogen de gemeenten echter niet over klagen. De rijksbelastingdienst wil graag de waardevaststelling overnemen, maar dat stuit op verzet van de VNG. Die heeft er geen bezwaar tegen dat het rijk zich met de besteding van de algemene uitkering gaat bemoeien, maar vindt wel dat de gemeenten zelf de WOZ waarden moeten vaststellen. Niet sturen, maar roeien!

Vanwege de onvermijdbare onnauwkeurigheid bij taxaties wordt bij de waardevaststelling met een marge van f 5000 gewerkt, terwijl we ons aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting tot op de gulden nauwkeurig invullen. Tegenover de grotere nauwkeurigheid staat echter dat het inkomstenbegrip is onderhevig aan allerlei definitiekwesties, en dus minder eenduidig is.

Wie tegen betaling andermans huishouden doet, moet belasting betalen, wie het huishouden doet en in ruil daarvoor kan beschikken over een deel van het gezinsinkomen, hoeft dat niet. Over geschenken hoeft geen belasting te worden betaald. Pensioenen gelden als inkomen, sommige lijfrentes ook, andere lijfrentes worden gelijk gesteld aan het opnemen van spaargeld. Wie in loondienst is kan volgend jaar geen verwervingkosten meer aftrekken, ook al heeft hij ze wel. Inkomen uit vermogen is zodanig complex dat vanaf volgend jaar niet meer deze inkomenscomponent maar alleen het vermogen zelf belast wordt.

En dan heeft de fiscus zelf een aftrekpostencircus op touw gezet waarmee het inkomstenbegrip nog verder vervuild wordt: giften, hypotheekrente, spaarloon, windmolens, zeeschepen, het is niet te filmen wat er aan aftrekposten wordt toegestaan. De vraag hoe je zo weinig mogelijk inkomstenbelasting kunt betalen, is dan ook naast auto's, voetbal en ziektes een van de favoriete gespreksonderwerpen op verjaardagen.

De OZB is een veel minder aantrekkelijk conversatie-onderwerp. Natuurlijk, de onontkoombare onnauwkeurigheid van taxaties kan tot opwinding leiden. Een enkele keer is een woning buiten de administratie gebleven, maar daar kun je beter geen ruchtbaarheid aan geven. Maar er zijn weinig mogelijkheden om de waarde te manipuleren. Je enige kans om minder OZB te betalen is het indienen van een bezwaarschrift.

Daarbij ligt het initiatief bij de belastingplichtige, terwijl bij de inkomstenbelasting er pas een bezwaarschrift komt wanneer de inspecteur de aangifte van de belastingplichtige niet accepteert. En je mag aannemen dat lang niet alle kwestieuze interpretaties van de regels door de belastingdienst worden opgemerkt.

Mijn stelling is dan ook, dat inkomen wel nauwkeuriger is vast te stellen dan waarde, maar dat het waardebegrip niettemin eenduidiger is. Weliswaar zijn er rond het waardebegrip ook nog wat artefacten door vrijstellingen en waarderingsregels van bedrijfspanden, maar ook die zijn tamelijk eenduidig. Alleen bij machines waarvan het de vraag is of ze nu wel of niet deel uitmaken van een fabrieksgebouw, bestaat een afbakeningsprobleem dat vergelijkbaar is met dat bij de inkomensvaststelling.

Ik heb eens een belastingrechter horen klagen, dat er over de inkomstenbelasting veel meer met de belastingdienst te onderhandelen valt dan over de OZB, en dat daarom de belastingrechter zoveel OZB zaken te behandelen krijgt. Mijn vermoeden is, dat dat met de eenduidigheid van het belastingobject te maken heeft. Het inkomensbegrip is dusdanig gecompliceerd, dat er over onderdelen deals te maken zijn die niet direct voor anderen consequenties hebben. Wanneer de waarde echter te goeder trouw is vastgesteld, valt daar weinig meer over te onderhandelen. Daarmee is het grote aantal bezwaarschriften juist een gevolg van de objectiviteit van de OZB.