Zoek op trefwoord :
Ander vak leren?
Verschenen: 14-01-2007

Uit de evaluatie van de tweede convenantsperiode van het grote-stedenbeleid (1999-2004) door het ministerie van BZK blijkt dat in die periode maar liefst 58 % van de gestelde doelen niet is gehaald. Toch heeft dat er niet toe geleid dat op grote schaal geld is teruggevorderd bij gemeenten wegens wanprestatie. Men is tot de conclusie gekomen dat het geen zin heeft afspraken te maken over de maatschappelijke gevolgen van beleid (de outcome), omdat die te veel bepaald worden door factoren die zich aan de zeggenschap van de gemeente onttrekken, zoals de economische conjunctuur.
Daarom richten de afspraken voor de derde periode zich niet meer op de outcome, maar op datgene dat de gemeente daadwerkelijk kan beheersen, de output. Volgens Ecorys, en van de bureaus die in opdracht van BZK het grote-stedenbeleid hebben geëvalueerd, is daarom een van de vruchten van dat beleid 'een nieuw denken en nieuwe inzichten over op output gerichte resultaatsturing'.
Maar de vraag is dan natuurlijk waarom de overheid verder zo weinig doet met die nieuwe inzichten. Terwijl de ene afdeling van BZK constateert dat het geen zin heeft om de gemeenten zich tegenover het ministerie te laten verantwoorden op outcome, schrijft een andere afdeling de gemeenten nog steeds de programmabegroting voor, waarin het college van B&W zich tegenover de raad juist op outcome moet verantwoorden, en ouput-gegevens een interne zaak van B&W zijn.
Toch is in dat geval verantwoording op outcome nog lastiger dan bij het grote-stedenbeleid, omdat het over verantwoording per jaar gaat in plaats van per vierjaarlijkse periode. Men kan in het winkelcentrum vaker de straat laten vegen, maar wanneer de effecten daarvan op de omzet van de winkeliers en daarmee op de investeringen door de winkeliers zelf al zichtbaar gemaakt kunnen worden, dan toch zeker niet in het eerste jaar.
Dit moet ook consequenties hebben voor het VBTB-proces. Het is opmerkelijk dat we daar niets meer over vernemen in de laatste Miljoenennota, toch bij uitstek de plaats voor een verantwoording van de kabinetten Balkenende. Dat gebeurt ook, maar niet volgens het VBTB model.
In par. 2.4.3 lezen we wel dat er steeds meer ruimte is voor de professional op de werkvloer. Die bewering wordt niet met cijfers onderbouwd, en al helemaal niet in VBTB-termen. Ik denk ook niet dat hij juist is. Maar veel mensen zouden willen dat het waar was, en dat verlangen vinden we terug in bijna alle verkiezingsprogramma's.
De autonomie van de professional wordt echter vooral ingeperkt door het alom aanwezige streven naar afrekening op resultaat. Om maar te voorkomen dat mensen hun tijd verdoen, zijn ze de helft van tijd bezig zich te verantwoorden. De onvermijdelijke grofheid van prestatie-afspraken leidt daarbij tot perverse effecten. Politie-agenten moeten bonnen schrijven in plaats van te bemiddelen in conflicten.
De nieuwe dienstregeling van de spoorwegen richt zich alleen nog op het voorkomen van vertragingen, met het gevolg dat je zonder vertraging later op je bestemming bent. Wie na het tien-uurjournaal naar NOVA wil kijken krijgt eerst een blok sportnieuws over zich heen, niet omdat het publiek dat wil, maar omdat zo de kijkcijfers omhoog gaan. Wie contrecoeur kijkt, telt ook mee.
Het gaat ook niet alleen om de vrijheid van de professional, het gaat ook om de veel te hoog opgelopen overheadkosten. De kosten van planning en control maken daar deel vanuit. De informatie die het oplevert is ook niet vraaggestuurd maar aanbodgestuurd, het is niet echt wat bestuurders en politici willen weten. Zwaar weer op komst, dus. Wanneer ik controller was, ging ik snel een ander vak leren.