Zoek op trefwoord :
Thom de Graaf ondermijnt budgetrecht gemeenteraad
Verschenen: 11-03-2005

De dualisering van het gemeentebestuur heeft een soort principal-agent relatie gecreëerd tussen de gemeenteraad en het college van Burgemeester en Wethouders. De raad stelt de begroting vast, waarbij hij aangeeft welke beleidseffecten moeten worden nagestreefd en over welke middelen het college daarbij kan beschikken. Naast deze kaderstellende rol heeft de raad een controlerende rol: er zijn sanctiemogelijkheden wanneer de begroting wordt overschreden of de beoogde effecten niet worden gerealiseerd. Ook wanneer men niet gelooft dat op deze wijze de gemeenteraad echt kan sturen, blijft het zo dat de gemeenteraad in ieder geval moet kunnen optreden bij begrotingsoverschrijdingen; anders stelt het hele budgetrecht van de gemeenteraad niets voor.
Tot 2002 had de gemeenteraad de mogelijkheid om bedragen waarmee de begroting werd overschreden of die ten onrechte op een bepaalde post geboekt waren, buiten de rekening te laten, en daarvoor de leden van B. en W. persoonlijk aansprakelijk te stellen. Om die reden mochten ook in de tijd dat wethouders nog lid waren van de gemeenteraad, zij niet meestemmen over de vaststelling van de rekening.
Nu gebeurde het niet zo vaak dat de raad de collegeleden hoofdelijk aansprakelijk stelde, en als het gebeurde was het nog maar de vraag of de Raad van State het besluit in stand liet. Daarom kan men er vrede mee hebben, dat deze mogelijkheid bij de invoering van het dualisme is komen te vervallen, en vervangen is door een procedure waarbij de gemeenteraad een indemniteitsverklaring moet afgeven, omdat anders de provincie dat doet.
Maar dat werkt alleen wanneer er dan wel een sanctie kan worden opgelegd in de vorm van het opzeggen van het vertrouwen in het college. De raad heeft die mogelijkheid al sinds 1948 tegenover de wethouders, en beschikt sinds kort ook over de mogelijkheid het initiatief te nemen tot ontslag van de burgemeester, wat materieel op hetzelfde neerkomt.
Dit wordt echter anders wanneer de burgemeester rechtstreeks gekozen wordt. Dan is volgens het wetsvoorstel van minister De Graaf een twee derde meerderheid nodig om de burgemeester af te zetten, en kan deze met steun van 35 % van de raadsleden blijven zitten. Hij wordt ook geacht met een eigen programma aan de verkiezingen mee te doen, en wethouders aan de raad voor te dragen die bereid zijn aan de realisatie van dat programma mee te werken. Dat wordt lastig wanneer de meerderheid van de gemeenteraad via de programmabegroting het college andere instructies geeft.
Nog steeds houdt de raad de mogelijkheid om de wethouders naar huis te sturen wanneer er afgeweken is van de begroting, maar de burgemeester kan dan blijven zitten. Dat hoeft geen probleem te zijn wanneer de burgemeester niet meer is dan een bestuurlijke randgroepjongere. Wanneer deze echter optreedt als lokale regeringsleider, bepaalt wie er wethouder van Financiën is, en de ambtenaren aanstelt die daadwerkelijk met de budgetbewaking belast zijn, is het een rare vertoning wanneer de burgemeester bij begrotingsoverschrijdingen gewoon kan blijven zitten.
Wethouders worden dan een soort katvanger. Als ze worden weggestuurd hoeft de burgemeester niet eens met nieuwe kandidaten te komen, hij kan ook in zijn eentje de bevoegdheden van B. en W. uitoefenen. Daarbij kan hij zelfs de zojuist weggestuurde wethouders de status van politiek assistent geven.
Zelfs de Amerikaanse president kan het budgetrecht van het congres niet buiten werking stellen. Wil men dat de Nederlandse gemeenteraad bij een rechtstreeks gekozen burgemeester toch nog iets van het budgetrecht overhoudt, dan moet men andere sancties mogelijk maken. Misschien moet de hoofdelijke aansprakelijkheid weer hersteld worden, maar dan alleen voor de burgemeester. Zware bevoegdheden impliceren zware verantwoordelijkheden.

In: Public Controlling maart 2005